|
Bij de waardebepaling van onroerende zaken blijft de waarde van (de meeste) werktuigen buiten aanmerking. Dit noemen we "werktuigenvrijstelling". Een werktuig moet wel aan een aantal eisen voldoen om vrijgesteld te kunnen worden. Het werktuig moet een zelfstandig doel hebben. Meestal ligt dat doel in een productieproces. Een werktuig dat alleen dienstbaar is aan een onroerende zaak (bijvoorbeeld liften, roltrappen, verwarmingsinstallaties of ventilatiesystemen) valt niet onder de werktuigenvrijstelling. De waarde van een dergelijke installatie moet in de waarde van het gebouw worden meegenomen. Ook moet het werktuig verwijderd kunnen worden met behoud van zijn waarde als zodanig. Het werktuig moet dus ergens anders met behoud van zijn functie kunnen worden gebruikt. Bovendien mag het werktuig niet op zich een gebouwd eigendom zijn. Dit laatste heeft vooral te maken met de omvang van het werktuig. Centraal staat de vraag of het werktuig is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
|